soberensexy

Eva Berghmans begon deze blog als stok achter de deur. Want op vakantie is het makkelijk filosofisch worden over wat een mens echt nodig heeft, maar valt het werkjaar ook vol te houden zonder nieuwe designerjurk?

Maand: september, 2012

Ha, waarom es geen post van mijn favoriete kookblogster hergebruiken, is dat niet het toppunt van duurzaam bloggen? Ze bouwt tegenwoordig ook feestjes met Mme Zsazsa en dat heeft wel iets aanstekelijks, zo twee ondernemende kempenmeiden die op locatie volk verwennen. En die pannenkoeken zet ik nu al op mijn receptenlijst voor het volgende familiefeest want ik heb al geleerd dat het altijd scoren is met de recepten van Dorien (en dat zonder al te veel moeite maar dat hoef je er niet bij te zeggen) (en zonder al te diepe eco-voetafdruk maar ook dat hoef je er niet per se bij te vertellen als je volk daar niet voor in de stemming is). Santé.

JONGE SLA

Ooit wou ik traiteur worden. Feestjes bouwen, artiestencatering, picknickmanden op bestelling, dat soort dingen. Maar dan ga je eens langs bij Unizo en je zet het uit je hoofd.
Goed. Van het een kwam dan toch het ander* en daar kwam dan op zijn beurt weer iets nieuws uit voort. En nu ben ik de pannenkoekenkramer, straatfeestsoepverdeler, brooddozenvuller, spaghettispecialist en peperkoekenhuisjesbouwer van Plan B. Eigenlijk is dat ook een soort van traiteur.

View original post 307 woorden meer

Advertenties

Echt, echter, echtst

Eerder deze week schreef ik in De Standaard iets over authenticiteit, en hoe dat begrip – helaas – stilaan een holle doos aan het worden is. Toen wist ik nog niet dat vader Morel campagne zou voeren met de foto van zijn dochter, en dat sommige bladen alleen brunettes in beeld brengen omdat die in het oog van de toeschouwer meer diepgang zouden hebben dan blondines of rosten. En wij trappen daar allemaal in. Enfin, reden genoeg om mijn stukje over authenticiteit ook hier te posten. Voor echt en gemeend.

Het is zo ver: na de woorden ‘een uitdaging’ en ‘eigenzinnig’ is ook ‘authentiek’ een lege doos aan het worden. Authenticiteit is overal. Ze zit in de dikhouten gastentafel waar de vestigingen van ‘Le pain quotidien’ rond gebouwd zijn, ze hangt rond de zelfgemaakte rokjes en het eigenhandig gebakken brood, en ze zet de toon in de najaarsprogrammering op televisie, alwaar wij de komende maanden niet meer alleen onze dagelijkse kost leren bereiden maar ook ons dagelijks knutselwerk.

‘Zo authentiek, warm en echt dat het op de zenuwen begint te werken.’ Ziedaar het oordeel van een tv-recensent over Plan B, het alternatieve lifestyleprogramma van Vier. Dat choqueerde mij. Ik dacht: hoe cynisch moet je zijn om ‘authentiek’ te verbouwen tot een scheldwoord, om je te ergeren aan een pastinaak die te uitgebreid in beeld komt? Aan de andere kant: hoe authentiek kan televisie zijn? Al is het maar omdat er altijd gesleep met kabels en camera’s en een hoop volk aan te pas moeten komen – je moet al heel stevig in je schoenen staan om dan je naturel te behouden, zoals we ook meermaals hebben mogen merken tijdens de hoogdagen van de reality-tv. Bij uitbreiding: wat is dat eigenlijk, authenticiteit? Waarom is Blankenberge het niet – in die mate dat het stadsbestuur een marketeer gaat aanstellen om de stad van haar marginale imago te ontdoen, en Gent wel, niet alleen volgens de inwoners maar ook volgens National Geographic? Waarom is een frigoboxtoerist niet authentiek en een oesterliefhebber die naar Bretagne trekt, wel? Ben ik meer mezelf als ik met ongewassen haren in een versleten jeans rondklos dan wanneer ik met zorg een jurk uit mijn kast gehaald heb? Ik kan geweldig authentiek slechtgezind zijn, maar bij mijn weten telt dat niet. Ik heb eens uit onmacht in mijn arm gebeten, en dat voelde bijzonder echt aan, maar ook dat telt allicht niet. Authentiek is robuust maar aaibaar, met een glimlach en een gloed. Authentiek is heel vaak wat wij tekortkomen in ons hollende leven, waarin er hooguit tijd is om een pot open te draaien, en niet om de spaghettisaus een dag lang te laten sudderen.

Geen wereld die beter met het idee van echtheid uit de voeten kan dan de reclamewereld, schrijft Guillaume Van der Stighelen in zijn pas verschenen essay Echt. Daar gaat al decennialang geen jaar voorbij zonder dat een dure studie die authenticiteit uitroept tot dé trend. En de merken die het best de echtheid kunnen veinzen, bijvoorbeeld met behulp van een paar Italiaanse mamma’s en grote kookpotten, doen er hun voordeel mee. In één moeite maakt Van der Stighelen zich vrolijk over mensen die menen dat ze zichzelf kunnen vinden en/of verliezen. Echtheid is geen houdbaar concept, betoogt hij. Wij zijn niet minder echt als we ons beter voordoen dan we zijn, integendeel, die kunst maakt ons tot mensen.

Wat mij ook opvalt: mensen die zichzelf menen te hervinden, zijn vaak alleen. Ze hebben net een dag in hun moestuin gewroet, een berg beklommen, een week gezwegen in een boeddhistisch klooster. Zelden zijn ze gaan shoppen. En niemand zal beweren volledig zichzelf te zijn op een receptie met bazen en collega’s. Als hij het wel is, vliegt hij waarschijnlijk op staande voet aan de deur. Dat hoeft u niet te proberen, want er is een dappere Noor die het u voorgedaan heeft. Karl Ove Knausgard, van wie onlangs het boekLiefde in het Nederlands verscheen, heeft zijn leven opgetekend. Het leven met vrouw en kind, het leven met babygymnastiek en verjaardagsfeestjes, het leven waarin hij zich een vreemde voelde, behalve op de momenten dat hij in zijn eentje op café zat te lezen. Lezers noemen het boek verslavend, ontroerend, herkenbaar. Terwijl het vooral illusieloos en bikkelhard is. Het is één grote schreeuw uit frustratie, een gulp van monotonie en alledaagsheid, waarin Knausgard genadeloos is voor zijn omgeving en voor zichzelf. ‘Hoe meer ik me schaamde, hoe beter het werd.’

Dat is échte echtheid – niet de vrolijke, ‘mijn haar zit in de war’-authenticiteit die ons tegengif is in de ratrace, maar echtheid die pijn doet. ‘De eerlijkheid was essentieel’, zegt Knausgard, ‘maar ook onmenselijk.’ Zullen we morgen dan maar weer allemaal ons haar kammen, een jurk uit de kast halen, de dag door glimlachen en ’s avonds voor het evenwicht naar Plan B kijken? En eens op uitstap naar Blankenberge gaan, voor de citymarketeer daar het authentieke karakter uitgevlakt heeft.

Buiten!

Vroeger, ja, vroeger, toen hadden mensen niks nodig (eerlijke noot van sobere Eva: dit is het eerste stukje dat ik tik op mijn nieuwe ultrabook). En kinderen zeker niet. Je gaf ze zand en water, daar maakten zij modder van en vervolgens zag je ze van de hele dag niet meer. Maar nu! In the age of absurdity, om het met Michael Foley te zeggen, organiseert het Centrum voor Natuur- en Milieueducatie lessen buiten spelen. Kinderen kunnen het niet meer, ook al omdat ze het van hun overbezorgde ouders niet meer mogen.

Had ik al niet lang beloofd van hier eens iets te vertellen over onze staycation? Welaan dan. Die begon zo, zelfs nog voor wij officieel met vakantie waren: in juli ruilden wij ons rijhuis een dikke week lang voor een sfeervol huis met een reusachtige, magnifieke tuin, op een steenworp van Brussel, en door het jaar bewoond door vrienden die ondanks die magnifieke tuin het idee hadden dat ze op vakantie moesten (misschien omdat de tuin ook een kwekerij is – zie www.duizendblad.be, en zo doende de job van de vrouw des huizes). En rarara, wat gebeurde er toen wij ons onder de majestatische boom zetten om op ons gemak een fles cava te drinken terwijl de kinderen urenlang verstoppertje zouden spelen en bessen plukken en op de katten jagen? Juist, onze stadsmussen waren bang. Het gras was vochtig, er stonden dingen die prikten (jep, brandnetels, kom je zo goed als nooit tegen in het stadspark, en al evenmin in de grootouderlijke tuinen), de kippen vlogen zomaar uit hun hok de bomen in. Pas een weekend later waren ze min of meer geacclimatiseerd. En toen gingen we alweer terug naar de stad.

En toch. Die week op den buiten heeft, allicht samen met de vele logeerpartijen bij grootouders in de vakantie, iets losgemaakt. Iets waar ik zelf intussen veel plezier aan beleefd heb. Zo was er de ontdekking van het ‘huisje’ in het park, nota bene het park waar wij al jarenlang meerdere keren per week komen. Een huisje, een perfecte holte in een hoop struiken. Nooit eerder gemerkt. En er was die keer dat ik met mijn stadsmussen en nog een extra stadsjuffer naar het park een beetje verderop ging. Een ‘saai’ park, aldus de geleende stadsjuffer (de dag dat mijn kinderen over saai beginnen te zagen, mogen ze van mij ineens straf schrijven, en de afwas doen) – een park met een reusachtige zandbak, speeltuin, eendenvijvers, bruggetjes. En een beek. Met strategisch gepositioneerde stenen in, bij wijze van avontuurlijk bruggetje. Daar was de lol al snel af.  Schuine blikken waren ons deel toen ze hun sandalen uitzwierden en met hun voeten in de modder stonden, en met natte broeken en ingrediënten voor chocoladesoep weer uit het water klommen. Toen ik de stadsjuffer terug bracht, kon ik het idee niet van me afschudden dat ik me bij de rechtmatige ouders moest excuseren. Het woord ‘saai’ was nochtans niet meer gevallen.

Zelf heb ik deze vakantie herontdekt: het plezier van over een richeltje te lopen, van verstoppertje spelen, van het zwiepen van kniehoog gras, van lopen over een omgevallen boom, en vooral: van mij niet te haasten. Van mij niet te moeten opjagen over natte beekvoeten, omdat die ook zonder handdoek wel droog geraken, zeker als de zon schijnt. Er valt, vrees ik, maar één les te geven over buitenspelen: dat je er tijd voor nodig hebt. Tijd om te kijken wat er voor handen is, tijd om te wachten tot de tak onder de brug door komt, tijd om te zien dat een berg stenen verplaatsen niet per se een lastig karwei is en dat twee takken ook een viool zijn. En die vuile handen die we altijd vergeten te wassen voor het eten, zijn goed voor de weerstand. Toch?
(Nog even eerlijk over dat niet-haasten, want dat was natuurlijk top of the bill van mijn postvakantievoornemens: na vier dagen was ik mijn portefeuille kwijt, die ik in mijn haast zo slordig had weggestoken dat een zakkenroller hem wel moest jatten, als hij al niet op eigen houtje uit mijn tas gevallen was. En vorige week viel er een snelheidsboete binnen, opgelopen op de eerste werkdag na de vakantie. Lachen mag, maar denk aan de pot en de ketel.)

%d bloggers liken dit: