soberensexy

Eva Berghmans begon deze blog als stok achter de deur. Want op vakantie is het makkelijk filosofisch worden over wat een mens echt nodig heeft, maar valt het werkjaar ook vol te houden zonder nieuwe designerjurk?

Categorie: haast

Slimmer rondjes lopen

Soms probeer ik me voor te stellen hoe het leven er zou uitzien zonder e-mail of internet. Ik meen me zelfs te herinneren hoe dat was (ik heb nog met wordperfect gewerkt, en met doscommando’s). We zijn erop vooruitgegaan, echt waar, maar alles kan beter. Bij deze mijn column van vandaag in De Standaard – en bij wijze van begin van goede voornemens ben ik vanavond mijn rondje in het park gaan lopen in plaats van in mijn mailbox. En morgen (of sebiet, wie zal het zeggen) fris weer aan de ipad.

Rondjes lopen

Ze waren mij vergeten. Het plan was: een dag samen hard werken op de Frankfurter Buchmesse, dan samen naar het hotel voor anderhalf uur, en dan samen naar een restaurant. Het hotel had een uitstekende wifi, dus ik zou die anderhalf uur vrije tijd aan mijn mailbox besteden, in mijn niet aflatende pogingen om geen mails meer te laten slingeren. Bon, de collega’s-met-auto waren mij dus vergeten, maar niet getreurd, ik ben een meisje dat van aanpakken weet (dat is: zolang het niet over mijn mailbox gaat), dus ik stapte fluks naar de taxistandplaats. Alwaar ik ruw geschat een dag of drie had moeten wachten op een vrije taxi.

Toen bleek wat een sukkel ik geworden ben. Tien jaar geleden zou ik een toeristische gids van Frankfurt in mijn tas gehad hebben, en een stadsplan. Nu had ik een ipad in mijn tas, én een ultrabook, en die waren allebei dood, want mijn ipad-internet-abonnement geldt niet in het buitenland, en Europa is tot nader order nog altijd geen groot wifi-netwerk.

Dat was een klap. Niet omdat ik bang ben in een vreemde stad, zelfs niet als ze er Duits spreken, wel omdat ik mezelf als een onthechte geest beschouw, immuun tegen het gadgettisme. Getuige daarvan mijn telefoon, een model Nokia dat je intussen bij de cornflakes krijgt. Je kan ermee bellen en sms’en, maar je moet niet overdrijven want dan valt de batterij uit. Als onze telefoons de spiegel van onze persoonlijkheid zijn, zoals ik afgelopen weekend in de krant las, dan ben ik een holbewoner die vergeet dat hij bessen staat te plukken als er toevallig net een kip passeert. Onze tegenwoordige slimme telefoons zijn ook, zo las ik elders in de krant, de weg naar burnout. Onze hersenen zijn nog altijd die van een holbewoner, en zo doende voelen ze zich het lekkerst als ze een tijdje ongestoord kunnen doorwerken.

95.000 Belgen zitten er intussen thuis, psychisch ziek gevallen. Dat is veel, en het worden er nog altijd meer. Sommige verstandige mensen, genre Paul Verhaeghe, zien een verband met onze prestatiemaatschappij. Andere verstandige mensen denken dat het aan onszelf ligt, en aan ons gebrek aan organisatietalent. Een management consultant als Peter Bregman hamert erop dat we moeten leren om onze eigen agenda te bepalen, in plaats van onze werkdag te verprullen aan het blussen van brandjes die in de meeste gevallen via de mailbox binnenkomen. De paradox van de moderne werknemer is deze: volgens onderzoeken voelen we ons beter als we meester zijn over onze tijd, en al glij-urend of thuiswerkend job en privé kunnen verzoenen, reden waarom we het internet en alle daarmee verbonden apparaten juichend binnengelaten hebben in onze salons. De keerzijde daarvan is dat er geen bedrijfsdeur meer is om dicht te trekken achter je professionele bezigheden. En hoe gestresseerder je raakt, hoe minder je die discipline opbrengt, waardoor de cirkels die je in to do-lijsten draait nog vicieuzer worden.

Die avond in Frankfurt ben ik beginnen te wandelen. Richting waar ik het centrum vermoedde, alwaar het station opdook, alwaar ik een kaart van de stad vond, waarop ik het restaurant kon lokaliseren (stadsplannen zijn overigens ook veel minder in het straatbeeld aanwezig dan toen ik nog een ipadloze tiener was) (fuck, er bestonden toen zelfs nog geen ipads. En ook geen gsm’s. Je moest je persoonlijkheid toen nog helemaal verbeelden aan de hand van je kleren, je kapsel en je schmink. Het idee!). Nog een reality check voor het meisje dat dacht dat ze haar machines kan missen: het duurde een kwartier voor ik opnieuw met zo’n papieren kaartje uit de voeten kon, want het mankeerde een automatische “u bevindt zich hier”-functie.

Een dik uur heb ik uiteindelijk gewandeld, waarvan de tweede helft langs de rivier. Met de minuut voelde ik me minder opgejaagd. Die hele mailbox kon me gestolen worden tegen dat ik aan het aperitief zat. Ook dat was een schok. Sindsdien weet ik dat mijn prehistorische telefoon alleen maar een pose is. Slimme aandachtsgeile telefoon of niet: zowel op mijn tweewekelijkse vrije dag als in het weekend hef ik de beschermhoes van mijn ipad geregeld op om eens snel in mijn mailbox te kijken.

Ook toen, op die leerrijke avond in Frankfurt, heb ik ’s nachts nog naar mijn mails gekeken. Er stond niks in brand. Een verstandige vrouw zou daar een conclusie uit trekken. Allicht ben ik daar te moe voor, te veel rondjes in mijn mailbox gelopen in plaats van langs de rivier.

Advertenties

Buiten!

Vroeger, ja, vroeger, toen hadden mensen niks nodig (eerlijke noot van sobere Eva: dit is het eerste stukje dat ik tik op mijn nieuwe ultrabook). En kinderen zeker niet. Je gaf ze zand en water, daar maakten zij modder van en vervolgens zag je ze van de hele dag niet meer. Maar nu! In the age of absurdity, om het met Michael Foley te zeggen, organiseert het Centrum voor Natuur- en Milieueducatie lessen buiten spelen. Kinderen kunnen het niet meer, ook al omdat ze het van hun overbezorgde ouders niet meer mogen.

Had ik al niet lang beloofd van hier eens iets te vertellen over onze staycation? Welaan dan. Die begon zo, zelfs nog voor wij officieel met vakantie waren: in juli ruilden wij ons rijhuis een dikke week lang voor een sfeervol huis met een reusachtige, magnifieke tuin, op een steenworp van Brussel, en door het jaar bewoond door vrienden die ondanks die magnifieke tuin het idee hadden dat ze op vakantie moesten (misschien omdat de tuin ook een kwekerij is – zie www.duizendblad.be, en zo doende de job van de vrouw des huizes). En rarara, wat gebeurde er toen wij ons onder de majestatische boom zetten om op ons gemak een fles cava te drinken terwijl de kinderen urenlang verstoppertje zouden spelen en bessen plukken en op de katten jagen? Juist, onze stadsmussen waren bang. Het gras was vochtig, er stonden dingen die prikten (jep, brandnetels, kom je zo goed als nooit tegen in het stadspark, en al evenmin in de grootouderlijke tuinen), de kippen vlogen zomaar uit hun hok de bomen in. Pas een weekend later waren ze min of meer geacclimatiseerd. En toen gingen we alweer terug naar de stad.

En toch. Die week op den buiten heeft, allicht samen met de vele logeerpartijen bij grootouders in de vakantie, iets losgemaakt. Iets waar ik zelf intussen veel plezier aan beleefd heb. Zo was er de ontdekking van het ‘huisje’ in het park, nota bene het park waar wij al jarenlang meerdere keren per week komen. Een huisje, een perfecte holte in een hoop struiken. Nooit eerder gemerkt. En er was die keer dat ik met mijn stadsmussen en nog een extra stadsjuffer naar het park een beetje verderop ging. Een ‘saai’ park, aldus de geleende stadsjuffer (de dag dat mijn kinderen over saai beginnen te zagen, mogen ze van mij ineens straf schrijven, en de afwas doen) – een park met een reusachtige zandbak, speeltuin, eendenvijvers, bruggetjes. En een beek. Met strategisch gepositioneerde stenen in, bij wijze van avontuurlijk bruggetje. Daar was de lol al snel af.  Schuine blikken waren ons deel toen ze hun sandalen uitzwierden en met hun voeten in de modder stonden, en met natte broeken en ingrediënten voor chocoladesoep weer uit het water klommen. Toen ik de stadsjuffer terug bracht, kon ik het idee niet van me afschudden dat ik me bij de rechtmatige ouders moest excuseren. Het woord ‘saai’ was nochtans niet meer gevallen.

Zelf heb ik deze vakantie herontdekt: het plezier van over een richeltje te lopen, van verstoppertje spelen, van het zwiepen van kniehoog gras, van lopen over een omgevallen boom, en vooral: van mij niet te haasten. Van mij niet te moeten opjagen over natte beekvoeten, omdat die ook zonder handdoek wel droog geraken, zeker als de zon schijnt. Er valt, vrees ik, maar één les te geven over buitenspelen: dat je er tijd voor nodig hebt. Tijd om te kijken wat er voor handen is, tijd om te wachten tot de tak onder de brug door komt, tijd om te zien dat een berg stenen verplaatsen niet per se een lastig karwei is en dat twee takken ook een viool zijn. En die vuile handen die we altijd vergeten te wassen voor het eten, zijn goed voor de weerstand. Toch?
(Nog even eerlijk over dat niet-haasten, want dat was natuurlijk top of the bill van mijn postvakantievoornemens: na vier dagen was ik mijn portefeuille kwijt, die ik in mijn haast zo slordig had weggestoken dat een zakkenroller hem wel moest jatten, als hij al niet op eigen houtje uit mijn tas gevallen was. En vorige week viel er een snelheidsboete binnen, opgelopen op de eerste werkdag na de vakantie. Lachen mag, maar denk aan de pot en de ketel.)

%d bloggers liken dit: