soberensexy

Eva Berghmans begon deze blog als stok achter de deur. Want op vakantie is het makkelijk filosofisch worden over wat een mens echt nodig heeft, maar valt het werkjaar ook vol te houden zonder nieuwe designerjurk?

Categorie: Uncategorized

Goedkoop tijdverdrijf

Heb ik dat hier nu al eens gezegd, dat ik in mijn soberheidsstreven van bij het begin één uitzondering had ingebouwd (allez, twee, eigenlijk, als ik eerlijk ben)? Het is nooit mijn bedoeling geweest om minder boeken te kopen – wel om meer van mijn gekochte boeken te lezen, maar dat is een heel andere discussie (en de tweede uitzondering is wijn – ook daar wordt niet op bespaard).

Onlangs had ik zowaar een ruzietje met een goede vriendin. Zij vindt dat een boek allermaximumst 12,50 euro mag kosten. Ik als boekenmaker natuurlijk op het achterste van mijn poten – dat een schrijver zoveel tijd, en een redacteur zus tijd, en dat een boek bespottelijk goedkoop is in vergelijking met pakweg de cinema of een restaurantbezoek, en en en – enfin, ik zat op mijn paard en mijn kop liep rood aan (hinderlijk, zo’n bleke huid, een pokerface is nimmer een optie, je bloedvaten verraden je toch). Ze maakte de discussie af met “Amai, dat is wel schoon, dat je zo gepassioneerd bent”. Een dolksteek. Gepassioneerd. Ze zette me weg als een curiosum. Een ongevaarlijke gek.

Het voorval schoot me weer te binnen toen ik vandaag op ‘Books v. cigarettes’ stootte, een (bespottelijk goedkoop) verzamelbundeltje met essays van George Orwell. Het titelstuk haalt ongeveer alle argumenten aan die ik in de discussie met mijn vriendin aandroeg – het stuk dateert uit 1946. Zijn conclusie: dat al die Britten die boeken te duur vinden, eens moeten uitrekenen wat ze aan sigaretten en drank uitgeven (wat hij op zijn beurt nog eens heel fijntjes afzet tegen de levenslange verdiensten van een Indische boer). Vinnig.

Passons, dat dus allemaal maar als intro, om te zeggen dat ik zonder gewetensbezwaren vrolijk boeken blijf kopen, zij het dat ik ze vaker en vaker in elektronische vorm koop, kwestie van aan de bomen te denken (en ook uit egoïstische motieven: de kast zit vol, en niks gaat zo snel als de amazon-kindle-one click-aankoop). Een en ander leidde tot mijn column van vandaag in De Standaard, over de trieste waarheid achter Amazon (en onszelf).

Hokjes

Soms komt de hele zooi bij elkaar. Zit je net met je man in de agenda’s te kijken hoe je de week moet doorkomen zonder de kinderen ergens te vergeten, belt je moeder om te melden dat je bompa in het ziekenhuis ligt.

Tegelijk verandert alles en verandert niks. De lunchafspraken, de avondlijke vergadering, het oudercontact: het gaat allemaal gewoon door, en ja, er moet ook elke dag brood in de brooddozen. Tegelijk kost het minder moeite, want het valt plots zo veel lichter uit.

Een paar avonden later kreeg ik van mijn man een cadeautje. Een magneet met een popartvrouw in lichte hysterie en het opschrift ‘I can’t have a crisis today, my schedule is full’. Lachen, ja. Mijn (ons) hele heerlijke tweeverdienersleven samengevat in één slagzin.

Toen ik uitgelachen was, bekroop me een vaag onbehagen. Want niemand start een magneetfabriek om unieke stukken te fabriceren. Dus: dat er een magneet bestaat die mijn leven perfect samenvat, betekent dat er een markt is voor die samenvatting. Berg op, die illusies over uniciteit, temperament, persoonlijkheid, keuzevrijheid en wat al nog dat ons aan de gang houdt. Een perfect te vermarkten existentiële twijfel, meer is het niet.

Niets mis mee – onze hersenen zijn geprogrammeerd om grootste gemene delers op te sporen en zo de wereld in handzame categorieën in te delen – maar zijn we niet allemaal liever uniek? Ik schaamde me dood toen ik onlangs geen flauw benul meer had van de naam van de vervangster van de vervangster van de vervangster van de poetshulp. Het gemak waarmee we iemand in een hok of functie steken, is soms stuitend. Strak in het pak, wallen onder de ogen, laptoptas: zakenman. Jogging, wallen, plastic zak: dronkenlap. Plooifiets, tas uit gerecycleerde autobanden, haar in twee verschillende lengtes: links en kunstzinnig. Enzovoort.

In de marketing heeft dat hokjesdenken een chique naam: customer profiling . Ze doen het ook in de boekjes van de Colruyt – als je hun kortingskaart gebruikt, passen ze hun reclame aan je profiel aan. Altijd grappig gevonden, want het is er toch nog in de helft van de gevallen naast (alsof ik ooit diepgevroren chipolata’s zou kopen, het idee!). Met de aanbevelingen van Amazon ligt dat anders. Die zijn griezelig goed, alsof ze recht in je ziel kijken. Hoe anders te verklaren dat Amazon mij eerder deze week de nieuwe van Ian McEwan aanbeval? En nee, ik heb nog geen enkel boek van McEwan via Amazon gekocht – dat deed ik tot nog toe altijd in mijn bakstenen boekenwinkel – dus hoe weet Amazon dat ik elke nieuwe McEwan vroeg of laat aanschaf?

De nuchtere waarheid is dat Amazon een patent heeft op een reeks vernuftige technieken, waarbij de virtuele verkoper suggesties doet op basis van wat je eerder kocht of zelfs maar opzocht. Maar die technieken werken natuurlijk alleen maar zo goed omdat ik ellendig voorspelbaar ben. Omdat ik een eenduidig type ben – een Dansaertvlaming (enfin, niet letterlijk, want ik woon allang niet meer in de Dansaertstraat), met de juiste boeken op het nachtkastje – de nieuwe Munro, de nieuwe Zadie Smith, de nieuwe ­McEwan. Makkelijker komen de prooien voor Amazon allicht niet. Echt wennen doet het niet, die confrontatie met mezelf in sjabloonvorm. Vreemd eigenlijk, want van mijn lijfelijke boekhandelaar kan ik het bijzonder waarderen dat hij me dingen aanraadt. Maar de wonderen zijn de wereld niet uit. Alle onheilsscenario’s over mijn bompa gingen de vuilnisbak in en na drie dagen ziekenhuis mocht hij weer naar huis. En Amazon heeft speciaal voor mij een state of the art boormachine geselecteerd. Een boormachine! Na even zoeken zag ik het: de boosdoener was allicht een boek over economie dat ik bekeken had. Eén keer out of the box, en de virtuele verkoper valt door de mand.

Terwijl ik Amazon al jaren voor een duivels systeem aanzie, blijkt het ook niet verder te raken dan de grote clichés – u leest over geld, u bent een man. Dat ik dat nu pas merk, bevestigt nog maar eens dat ik veel te lang binnen de lijntjes van mijn profiel gebleven ben. Hoog tijd om wat bij te lezen over wiskunde, chemie en boksen – en om een boormachine te leren gebruiken.

Advertenties

Konijnenvoer

Van beurzen word ik meestal een beetje zenuwachtig, maar op de eerste vegetariërsbeurs in Gent ging dat snel over, allicht ook omdat ik er geen een geitenwollensok zag maar wel veel enthousiaste (en mooie, en slanke, en vriendelijke, en ja zelfs hippe) mensen. Ik was er om te luisteren naar Dorien Knockaert, die in haar boek Goed eten op aanstekelijke wijze verslag uitbrengt van haar zoektocht naar een eerlijke maar ook lekkere keuken. En ik was daar niet alleen: de zaal zat afgeladen vol, en de potten met minestrone waren in no time leeg. Het was dan ook lekker.
Vegetarisch koken (lékker koken, bedoel ik dan) is iets wat je toch een beetje moet leren, zo ontdekte ik het afgelopen jaar – een jaar waarin ik opnieuw vegetariër werd (voor de derde keer in mijn leven), en dit keer om ecologische eerder dan filosofische redenen (genre: meat is murder). Veel van Dorien geleerd in dat jaar (ah, haar tarte tatin van tomaat! en haar pompoengazpacho! en ook vooral: haar volstrekt niet betwerige manier van vertellen), maar ook bijvoorbeeld uit het boek Plenty van Yotam Ottolenghi. Dat smaakte zo goed, dat ik er soms bij vergat dat ik vegetarisch kookte. Onlangs viel het pas op toen ik de schotel (Ottolenghi’s fabuleuze auberginerisotto) aan de gasten serveerde. “Aha, het is zonder vlees”, stelde een van hen vast – en het klonk niet alsof hem dat honderd ten honderd beviel. Waarop zijn vrouw zei: “Trek het u niet aan, hij heeft altijd iets te zeuren. Ik kook niet eens meer voor hem, wij gaan al twee maand altijd op restaurant.” Enfin, hij vroeg een tweede bord. (Dank u, grote Ottolenghi.)
Een en ander schoot me te binnen toen ik tijdens Veggielicious aanschoof bij de kookworkshop van Dorien. En toen werd het mijn column voor De Standaard van vandaag. Bij deze:

Er zijn zo van die herinneringen die een mens niet verteerd krijgt. Zo staat me bij elk etentje dat ik organiseer een avond van een jaar of tien geleden voor de geest. We waren met een man of zes, en ik zat net in een vegetarische periode. Een fanatieke, want ik hoopte dat vegetarisme me van een hardnekkig eczeem zou afhelpen. Soit, ik serveerde iets – het zal wel een stoofpot geweest zijn ­– waarin wortels en tofu een hoofdrol hadden. Met de eerste twee flessen wijn verdween ook de beleefdheid bij de gasten. Terwijl ze eerst nog lusteloos in hun bord prikten, sprongen ze een halfuurtje later door onze living, nerveus snuffelend, met wortels die lange tanden voorstelden tussen hun lippen, en met de bladeren van onze sanseveria’s als lange oren boven hun hoofd. Toen ze echt honger kregen, liepen ze even naar het frietkot voor een cervela.

Ondanks alle dure eden die ik toen gezworen heb, stond ik afgelopen weekend toch weer vegetarisch te koken in gezelschap. In groot gezelschap, want ik stond aan een fornuis op Veggielicious, de vegetariërsbeurs, die een kleine tweeduizend man op de been bracht. De organisator, EVA (het Ethisch Vegetarisch Alternatief, beter bekend als de bedenkers van Donderdag Veggiedag) lanceerde er Kook het voort, een nieuwe campagne, met BV-trekkers als Wim – Goe gebakken – Ballieu en Madame Zsazsa. Opnieuw is het idee even simpel als wervend: je mag gratis een workshop volgen, als je maar belooft dat je naderhand zelf met drie mensen een vegetarisch recept deelt, die dat op hun beurt doen en zo verder en zo voort.

Terwijl ik daar in mijn risotto met knolselder en paddenstoelen stond te roeren (tofu kwam er gelukkig niet aan te pas), viel me vooral op met hoeveel gretigheid er over eten gesproken werd. Vegetariërs zijn allang geen Spartanen meer, en ook geen wereldvreemde hippies (denk maar aan Steve Jobs en Bill Clinton). Vegetarisch eten is in een decennium tijd mainstream geworden. Het beste bewijs daarvan is de bizarre campagne die de vleesindustrie pas de wereld instuurde, waarin ‘gewone’ Vlamingen getuigen dat ze flexivoor zijn en vlees best wel lekker vinden. Alsof het de vleeseter is die een curiosum aan het worden is en zich moet verontschuldigen. Helemaal onzinnig is dat niet als toekomstbeeld: zowel Delhaize als Colruyt breidde onlangs nog zijn vegetarisch assortiment uit, volgens de winkels zelf vooral omdat de deeltijdse vegetariërs de vraag opdrijven. Zes procent van de bevolking is intussen zo goed als voltijds vegetariër – dat mag dan nog niet zoveel lijken, we zijn op weg naar de kritische massa: tien procent is the tipping point , met tien procent echte overtuigden kun je een samenleving veranderen.

Allemaal goed nieuws voor onze planeet, ware het niet dat aan de andere kant van die planeet hele volkeren op vinkenslag zitten om massaal vlees te beginnen eten. Geschat wordt dat tegen 2050 de vleesconsumptie zal verdubbelen, met dank aan de Chinezen en andere economieën in opkomst. Dat kan onze planeet nooit van zijn leven aan. Er is simpelweg niet genoeg plek om al die dieren te stockeren, en om de gewassen te verbouwen die we die dieren moeten voederen. Dieren zijn, zo zei Mark Post (universiteit Maastricht) tijdens een debat over het vlees van de toekomst, hooglijk inefficiënte producenten van vlees. Dat kan veel beter, bijvoorbeeld door vlees uit stamcellen te kweken. Dan heb je echt vlees, dat in een paar weken tijd in de fabriek klaargestoomd wordt, eventueel met een gezondere vetsamenstelling dan bij het klassieke vlees. Het kan ook efficiënter door in een hamburger een deel van het vlees door plantaardig materiaal te vervangen zonder dat de smaak eronder lijdt. Of, wie weet, door gras, waar we toch een overschot van hebben, tot burgers te verwerken – ook daar zijn wetenschappers mee bezig. De eiwitten in gras zijn bijzonder geschikt voor de mens, alleen krijgen we de vezels niet verteerd (niet voor niets hebben die koeien zoveel magen). Vraag is of je zo’n grasmat al verkocht zou krijgen aan de Chinezen en Afrikanen, voor wie vlees nog een luxeproduct of zelfs statussymbool is. Misschien moeten er ook daar eerst een paar enge ziekten in het vlees opduiken voor de geesten weer kenteren.

Bon, ik zal maar zwijgen over dat gras, want ik heb nog minstens drie vrijwilligers nodig die vegetarisch met mij willen koken. Ik zal geen tofu maken, beloofd.

Alles over “Kook het voort” op www.evavzw.be en inschrijven voor een workshop kan via de Facebook app.

Ha, waarom es geen post van mijn favoriete kookblogster hergebruiken, is dat niet het toppunt van duurzaam bloggen? Ze bouwt tegenwoordig ook feestjes met Mme Zsazsa en dat heeft wel iets aanstekelijks, zo twee ondernemende kempenmeiden die op locatie volk verwennen. En die pannenkoeken zet ik nu al op mijn receptenlijst voor het volgende familiefeest want ik heb al geleerd dat het altijd scoren is met de recepten van Dorien (en dat zonder al te veel moeite maar dat hoef je er niet bij te zeggen) (en zonder al te diepe eco-voetafdruk maar ook dat hoef je er niet per se bij te vertellen als je volk daar niet voor in de stemming is). Santé.

JONGE SLA

Ooit wou ik traiteur worden. Feestjes bouwen, artiestencatering, picknickmanden op bestelling, dat soort dingen. Maar dan ga je eens langs bij Unizo en je zet het uit je hoofd.
Goed. Van het een kwam dan toch het ander* en daar kwam dan op zijn beurt weer iets nieuws uit voort. En nu ben ik de pannenkoekenkramer, straatfeestsoepverdeler, brooddozenvuller, spaghettispecialist en peperkoekenhuisjesbouwer van Plan B. Eigenlijk is dat ook een soort van traiteur.

View original post 307 woorden meer

Echt, echter, echtst

Eerder deze week schreef ik in De Standaard iets over authenticiteit, en hoe dat begrip – helaas – stilaan een holle doos aan het worden is. Toen wist ik nog niet dat vader Morel campagne zou voeren met de foto van zijn dochter, en dat sommige bladen alleen brunettes in beeld brengen omdat die in het oog van de toeschouwer meer diepgang zouden hebben dan blondines of rosten. En wij trappen daar allemaal in. Enfin, reden genoeg om mijn stukje over authenticiteit ook hier te posten. Voor echt en gemeend.

Het is zo ver: na de woorden ‘een uitdaging’ en ‘eigenzinnig’ is ook ‘authentiek’ een lege doos aan het worden. Authenticiteit is overal. Ze zit in de dikhouten gastentafel waar de vestigingen van ‘Le pain quotidien’ rond gebouwd zijn, ze hangt rond de zelfgemaakte rokjes en het eigenhandig gebakken brood, en ze zet de toon in de najaarsprogrammering op televisie, alwaar wij de komende maanden niet meer alleen onze dagelijkse kost leren bereiden maar ook ons dagelijks knutselwerk.

‘Zo authentiek, warm en echt dat het op de zenuwen begint te werken.’ Ziedaar het oordeel van een tv-recensent over Plan B, het alternatieve lifestyleprogramma van Vier. Dat choqueerde mij. Ik dacht: hoe cynisch moet je zijn om ‘authentiek’ te verbouwen tot een scheldwoord, om je te ergeren aan een pastinaak die te uitgebreid in beeld komt? Aan de andere kant: hoe authentiek kan televisie zijn? Al is het maar omdat er altijd gesleep met kabels en camera’s en een hoop volk aan te pas moeten komen – je moet al heel stevig in je schoenen staan om dan je naturel te behouden, zoals we ook meermaals hebben mogen merken tijdens de hoogdagen van de reality-tv. Bij uitbreiding: wat is dat eigenlijk, authenticiteit? Waarom is Blankenberge het niet – in die mate dat het stadsbestuur een marketeer gaat aanstellen om de stad van haar marginale imago te ontdoen, en Gent wel, niet alleen volgens de inwoners maar ook volgens National Geographic? Waarom is een frigoboxtoerist niet authentiek en een oesterliefhebber die naar Bretagne trekt, wel? Ben ik meer mezelf als ik met ongewassen haren in een versleten jeans rondklos dan wanneer ik met zorg een jurk uit mijn kast gehaald heb? Ik kan geweldig authentiek slechtgezind zijn, maar bij mijn weten telt dat niet. Ik heb eens uit onmacht in mijn arm gebeten, en dat voelde bijzonder echt aan, maar ook dat telt allicht niet. Authentiek is robuust maar aaibaar, met een glimlach en een gloed. Authentiek is heel vaak wat wij tekortkomen in ons hollende leven, waarin er hooguit tijd is om een pot open te draaien, en niet om de spaghettisaus een dag lang te laten sudderen.

Geen wereld die beter met het idee van echtheid uit de voeten kan dan de reclamewereld, schrijft Guillaume Van der Stighelen in zijn pas verschenen essay Echt. Daar gaat al decennialang geen jaar voorbij zonder dat een dure studie die authenticiteit uitroept tot dé trend. En de merken die het best de echtheid kunnen veinzen, bijvoorbeeld met behulp van een paar Italiaanse mamma’s en grote kookpotten, doen er hun voordeel mee. In één moeite maakt Van der Stighelen zich vrolijk over mensen die menen dat ze zichzelf kunnen vinden en/of verliezen. Echtheid is geen houdbaar concept, betoogt hij. Wij zijn niet minder echt als we ons beter voordoen dan we zijn, integendeel, die kunst maakt ons tot mensen.

Wat mij ook opvalt: mensen die zichzelf menen te hervinden, zijn vaak alleen. Ze hebben net een dag in hun moestuin gewroet, een berg beklommen, een week gezwegen in een boeddhistisch klooster. Zelden zijn ze gaan shoppen. En niemand zal beweren volledig zichzelf te zijn op een receptie met bazen en collega’s. Als hij het wel is, vliegt hij waarschijnlijk op staande voet aan de deur. Dat hoeft u niet te proberen, want er is een dappere Noor die het u voorgedaan heeft. Karl Ove Knausgard, van wie onlangs het boekLiefde in het Nederlands verscheen, heeft zijn leven opgetekend. Het leven met vrouw en kind, het leven met babygymnastiek en verjaardagsfeestjes, het leven waarin hij zich een vreemde voelde, behalve op de momenten dat hij in zijn eentje op café zat te lezen. Lezers noemen het boek verslavend, ontroerend, herkenbaar. Terwijl het vooral illusieloos en bikkelhard is. Het is één grote schreeuw uit frustratie, een gulp van monotonie en alledaagsheid, waarin Knausgard genadeloos is voor zijn omgeving en voor zichzelf. ‘Hoe meer ik me schaamde, hoe beter het werd.’

Dat is échte echtheid – niet de vrolijke, ‘mijn haar zit in de war’-authenticiteit die ons tegengif is in de ratrace, maar echtheid die pijn doet. ‘De eerlijkheid was essentieel’, zegt Knausgard, ‘maar ook onmenselijk.’ Zullen we morgen dan maar weer allemaal ons haar kammen, een jurk uit de kast halen, de dag door glimlachen en ’s avonds voor het evenwicht naar Plan B kijken? En eens op uitstap naar Blankenberge gaan, voor de citymarketeer daar het authentieke karakter uitgevlakt heeft.

Drie kilo later

Nee, het kopje boven het bericht is niet wat u denkt. Ik ben geen drie kilo afgevallen door het sobere leven. Erger nog: tijdens mijn zogezegd sobere vakantie (staycation en al, en heel veel vegetarische schotels, ook voor niet-vegetarische bezoekers – ik ben u het verslag nog schuldig) is er drie kilo bij aangetikt. Dat klopt niet. Erger nog, dat noopt tot enig zelfonderzoek.
En de bittere conclusie is: hoezeer ik de soberheid ook hoog in het vaandel wil voeren, ze zit niet in mijn DNA. Mijn grootouders hielden cafe en tot het einde van mijn dagen zal ik sympathie hebben voor bruine kroegen. En voor bier. En voor wijn. Het is een tikkeltje ironisch dat het Engelse sober “nuchter” betekent.
Is het voldoende dat ten huize sober & sexy geen wijn van aan de andere kant van de wereld gedronken wordt? Of moet ik het moeilijker maken en bijvoorbeeld es een week geen wijn drinken tenzij biologische en Belgische (bestaat dat?)? En zo ja, is het dan goed als ik daar volgende week mee begin?

Broodchips

Is er iets minder sexy dan oud brood? Goed, in mijn geboortedorp maakten ze er nog wel gewonnen brood mee (in andere streken heet dat verloren brood, heb ik intussen geleerd, maar ik hou het liever bij de positieve formulering), met een dikke laag bruine suiker, maar dat is toch vooral lekker door de nostalgie, en de suiker. Al jaren gooi ik met een zekere gelatenheid geregeld een half brood weg, want altijd pistolets en sandwiches en cornflakes eten is ook niks, en van echt brood heb je altijd te veel, zelfs als je het ongesneden koopt zodat het wat langer bewaart.
Tenzij je je laat inspireren door Dorien Knockaert, zo bleek vandaag. Ze schrijft over eten en ecologie voor De Standaard en blogt op jongesla.wordpress.com (en in oktober verschijnt haar eerste boek, Goed eten, en ik mag het uitgeven, en daar heb ik nu al geweldig veel deugd van, en mijn keuken ook). Restjeskoken is een van haar specialiteiten. Mijn lief keek de kunst van het croutons maken van haar af. Niet die voor in de erwtensoep, maar iets met olijfolie en kruiden en wat zeste. Zomerser worden ze niet. Wij draaiden ze door onze pasta met prei (en vonden het niet eens meer nodig om er ook nog parmezaan bij te draaien). De kinderen kregen ze onder de noemer chips. En raad eens, er waren er te weinig. En het oud brood was verdorie op.

Literair hergebruik

EU Literatuurprijs 2011. Al maanden slingert er hier een zak met van die stickers rond. Stond op het punt ze dan toch maar ongebruikt weg te gooien, ze konden het niet halen van de prinsessenstickers, zelfs niet van de paninistickers van de delhaize. Tot ze gisteren dienden om een pop een pamper van keukenpapier aan te meten. Nadien plakten we er een cadeau mee dicht. En nog wat later werden ze de entreetickets tot onze living, zonder sticker op je hand kwam je de zetel niet meer in. (En waar staat de tv? Aha.)
Hadden we allemaal nog de wendbaarheid van een vijfjarige, het zou snel gedaan zijn met die hyperconsumptie (alhoewel, ze was ook wel erg jaloers op de prinsessenzaklamp die een eendagsvriendinnetje van haar meter kreeg, tot ik zo week werd dat ik er haar ook eentje beloofde. Tot zo ver de nieuwe soberheid.).

De blijde intrede van het biopakket

He he. Ons wekelijkse groente- en fruitpakket van bij de bioboer is terug van vakantie. Compleet met een komkommer met een buikbandje dat zegt dat hij een geschenkje is, allicht om het gemis te compenseren. Want is dat even weer aanpassen, zo koken from scratch. Wij stonden de afgelopen drie weken vaak te dralen in de supermarkt. Is het aubergineseizoen? Komen die patatten nu echt helemaal uit Israel? Toch maar weer komkommer en tomaat?
Vijf jaar al halen wij elke week ons pakket op in het cultureel centrum om de hoek. En in die tijd zijn we dus anders gaan koken, merkten we nu. Niet meer eerst kijken in de toog van de visboer of in de stapel kookboeken, maar meteen in de eigen koelkast, even checken welke groenten er nog niet verwerkt zijn. Soms heel dankbare soorten, genre boontjes of venkel. Soms zijn het lastigaards, met de witte kool op kop. Maar in alle gevallen krijgen ze tegenwoordig een hoofdrol op ons bord. Meestal tot tevredenheid van het hele gezin. In een overmoedige bui denk ik wel eens dat we niet alleen anders maar ook beter gaan koken zijn.
Het kan aan het emotionele weerzien liggen, maar vandaag bleek het een toppakket. Met frisse boontjes, pruimen, rode besjes, rode biet, blinkende komkommer, trotse prei. Nooit gedacht dat ik nog eens zo blij zou zijn bij het zicht van een koolrabi. Snijden, peper, zout, een drop notenolie, en hup, je hebt een voorgerecht. En zelfs zoon en dochter vinden hem een waardige vervanger van chips.

Arm maar sexy

Nee, de titel van dit stukje klopt natuurlijk niet. Ik ben niet arm. Ik heb een job, een huis, een bedrijfswagen (foei). Ik tik dit stukje op een ipad. ‘Arm maar sexy’ is de slogan waarmee Berlijners de ziel van hun stad vatten. Een grafittist spoot hem op de muur van het afluisterstation dat de Amerikanen tijdens de Koude Oorlog op de Teufelberg bouwden. Die berg bestaat volledig uit het puin dat uit de verwoeste stad werd gevoerd. Het was op die plek, uitkijkend over een stad die aan elkaar hangt van het hergebruik en de improvisatie, dat ik mij afvroeg: wat heeft een mens meer nodig dan een fles bier, een uitzicht en de tijd om van die twee te genieten, bij voorkeur in goed gezelschap? Toen kreeg ik zin om dat soort vragen al bloggend vaker te stellen.
Wees gerust, ik zie er de ironie van in. Dat een mens op citytrip moet gaan om te beseffen dat hij consumptiemoe is. Maar er is nog nooit iemand aan zijn eigen ongerijmdheden bezweken. Oef.

Over deze blog

Deze blog begon als een stok achter mijn eigen deur. Want het is gemakkelijk om op vakantie filosofisch te worden over wat een mens nu echt nodig heeft. Maar valt de nieuwe soberheid ook vol te houden tijdens het werkjaar? Of blijken een nieuwe designerjurk, gemoderniseerde laptop en kant-en-klare spaghettisaus dan toch weer onmisbaar?

%d bloggers liken dit: